Slag om Duinkerke - Worldwar2.nl

dinsdag 12 september 2017

Slag om Duinkerke


De Slag om Duinkerke, tevens bekend als de Evacuatie uit Duinkerke, was een militaire operatie in de omgeving van de Noord-Franse stad Duinkerke tussen 27 mei en 4 juni 1940. Van het Britse Expeditieleger wisten 218.226 man samen met 123.095 Fransen een Duitse omsingeling te ontvluchten tijdens de Slag om Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog.

Tussen 12 en 14 mei 1940 wist de Duitse Legergroep A bij Dinant en Sedan bruggenhoofden te vestigen over de Maas. Op 15 mei braken Duitse pantsereenheden onder bevel van Erwin Rommel en Heinz Guderian uit naar het westen. De, ook voor het Duitse opperbevel, onverwacht snelle opmars — de eerste toepassing van de tactiek van de Blitzkrieg — bracht de geallieerden al gauw in een kritieke situatie. Ze hadden hun beste gemechaniseerde en gemotoriseerde eenheden al ingezet om een verdedigende stelling te vormen in het midden van België, op de lijn Breda — Namen. Deze troepen werden nu bedreigd door de Duitse opmars op hun rechterflank en de nog resterende Franse reserves waren operationeel niet in staat vanuit het zuiden een gecoördineerde tegenaanval uit te voeren. Doordat ook de Duitse generale staf door het plotse succes verrast was en het oprukken probeerde te vertragen, kregen de geallieerden nog enige dagen respijt, maar ze misten de politieke moed en het militair leiderschap om die tijd te gebruiken voor het nemen van de noodzakelijke maatregelen: het opgeven van België en het concentreren van alle troepen voor een tegenoffensief in zuidelijke richting. Al op 19 mei begon de Britse Admiraliteit met de voorbereiding van een mogelijke evacuatie van het Britse leger naar Engeland.

Op 20 mei overwon het Duitse opperbevel zijn angst voor een hinderlaag en beval de opmars naar Het Kanaal. Nog diezelfde dag sloegen de Duitse pantserdivisies de zwakke Britse 18e en 23e Territoriale Divisies uiteen en rukten honderd kilometer op om bij Abbeville de kust te bereiken. De geallieerde troepen in het noorden waren nu afgesneden. De nieuwe Franse opperbevelhebber, generaal Weygand, kwam nu voor het eerst met een plan voor een gecoördineerde tegenaanval uit noordelijke en zuidelijke richting om de Duitse pantserspitsen af te snijden. Dat plan was weinig realistisch. De paraatheid van de troepen in het noorden was door de opeenvolgende snelle opmars en terugtocht erbarmelijk: de meeste tanks waren in reparatie. De Britse opperbevelhebber Lord Gort liet daarom voor de vorm toe dat de enige Britse pantserbrigade bij Arras op 21 mei op eigen initiatief nog een tegenaanval uitvoerde, maar had heimelijk al besloten zijn leger te redden en liet het de komende dagen op de Noordzeehavens terugvallen, in de hoop dat de Duitsers de handen vol zouden hebben aan de Belgen en het Franse 7e en 1e Leger.

Ondertussen waren de drie Panzerdivisionen (PD) van Guderians XIXe Pantserkorps echter op 22 mei naar het noorden afgebogen in de rug van de Britten: de 2e PD veroverde op 24 mei Boulogne-sur-Mer ondanks een onbeholpen poging tot tegenstand van het even eerder uit Engeland overgevaren 3rd Royal Tank Regiment — 4368 Britse soldaten werden echter geëvacueerd; op 27 mei viel Calais in handen van de 10e PD en de 1e PD stond klaar om op 25 mei Duinkerke aan te vallen. Als Duinkerken zou vallen, kon een evacuatie alleen nog plaatsvinden vanuit Oostende of Zeebrugge via erg lange en dus kwetsbare afvoerroutes.

Op de avond van de 24e mei beval Hitler echter halt te houden bij Grevelingen (Gravelines) op enkele kilometers ten zuidwesten van Duinkerken langs het riviertje de Aa. Deze beslissing zou bekend komen te staan als, in de woorden van Winston Churchill, het Wonder van Duinkerken. Hermann Göring had Hitler verzekerd dat de Luftwaffe iedere poging tot evacuatie zou kunnen verijdelen; Gerd von Rundstedt had gewaarschuwd dat de pantserdivisies na zoveel dagen inzet door vermoeidheid, uitval en tekorten aan brandstof en ammunitie zeer kwetsbaar waren. In feite was het ook Von Rundstedt geweest die al een dag eerder de opmars had laten stopzetten, toen hem bericht werd dat Grevelingen door een sterke Franse eenheid ter verdediging was ingericht. Hitler bevestigde dus alleen maar dit eerdere bevel. Het inzetten van tanks in stedelijke gebieden was volgens de officiële Duitse doctrine eigenlijk verboden en het nemen van risico's in een gewonnen situatie leek volkomen overbodig. Boulogne en Calais waren nauwelijks versterkt, maar konden slechts na felle strijd ingenomen worden en men wist niet precies hoeveel Britse troepen al in Duinkerken aanwezig waren. De pantsertroepen moesten weer snel op krachten komen voor de uitvoering van Fall Rot, de aanval op Frankrijk zelf. Hitler, zelf een veteraan van het slagveld van Vlaanderen in de Eerste Wereldoorlog, vreesde ook dat de polders daar door de modder ongeschikt waren voor de inzet van tanks. Niemand hield er serieus rekening mee dat meer dan een handjevol Britten zou kunnen ontsnappen. De voorstelling van zaken, die in de populaire literatuur wel gegeven wordt, dat het hier om een "onbegrijpelijke" beslissing zou gaan of een die zou getuigen van volslagen onbegrip voor moderne tactieken, wordt dus niet door de historische feiten ondersteund.

Omdat Hitlers beslissing achteraf zo'n verstrekkende gevolgen bleek te hebben, zijn er later allerlei diepere motieven aan toegeschreven. Zo zou hij opzettelijk het Britse leger hebben willen sparen om het Britse volk goedgunstig te stemmen ten aanzien van een mogelijke vrede. Niets in de bronnen wijst hier echter op. De chef van de Duitse generale staf generaal Franz Halder beweerde na de oorlog dat Hitler het leger de overwinning niet gunde. Dat zou een juiste inschatting kunnen zijn van Hitlers gevoelens — later in de oorlog zou hij immers een ware haat ontwikkelen jegens het professionele deel van de hele Wehrmacht — maar ook hierbij zijn er geen bewijzen dat dit zijn oordeel in dit bijzondere geval beïnvloedde.

Overigens is het moeilijk te voorspellen of een Duitse aanval succes zou hebben gehad. Hoewel het na de oorlog de gewoonte is geworden een uiterst negatief beeld te schetsen van de gevechtswaarde van het Britse Expeditieleger, was het op dat moment in feite de best geoefende en toegeruste strijdmacht ter wereld: geheel gemotoriseerd en voor meer dan de helft bemand met beroepssoldaten. Het optimisme dat het Britse officierenkorps generaties lang gecultiveerd had, gecombineerd met het flegma van de lagere rangen, maakte de Britten, anders dan de Fransen, weinig gevoelig voor defaitisme of massale paniek.

Vanaf 25 mei bereikten steeds meer troepen de kust. De infanteriecomponent van Guderians korps was tijdens de doorbraak bij Sedan erg verzwakt: het mankeerde hem simpelweg aan gevechtstroepen om de Britten te blokkeren. In het oosten schermde het Belgische leger de Britten af en in het zuidoosten het Franse 1e Leger. Alleen daartussen had de British Expeditionary Force (BEF) een doorbraakpoging af te slaan, maar met enige moeite lukte dat.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen