Toespraak in Berlijn - Goebbels (18-02-1943) - Worldwar2.nl

woensdag 13 september 2017

Toespraak in Berlijn - Goebbels (18-02-1943)



Broeders en zusters van mijn Duitse volk!
Broeders en zusters van mijn partij!
Het is nu een kleine drie weken geleden dat ik, bij gelegenheid van het voorlezen van de proclamatie van onze Führer naar aanleiding van de herdenking van het feit dat we tien jaar terug de macht hebben overgenomen, voor het laatst vanaf deze plaats tot u en tot het Duitse volk gesproken heb. De crisis waarin ons Oostfront zich op dit moment bevindt, beleefde toen haar hoogtepunt. Wij waren in het teken van de zware rampspoed waardoor het land in de strijd om de Wolga werd getroffen, op 30 januari van dit jaar bijeengekomen ten bewijze van de eenheid, de geslotenheid, maar ook van de vaste wilskracht om de problemen, die deze oorlog in zijn vierde jaar voor ons opstapelt, op te lossen.
Het was voor mij en waarschijnlijk ook voor u allen een schok om enkele dagen later te vernemen dat de laatste heldhaftige strijders van Stalingrad, juist op dat uur door de ethergolven met ons verbonden, aan onze Sportpaleismanifestatie hebben deelgenomen. Zij seinden in hun slotbericht door dat ze de proclamatie van de Führer hadden gehoord en misschien wel voor de laatste keer in hun leven met opgeheven handen samen met ons de volksliederen gezongen hadden. Welk een houding van Duits soldatendom in deze grote tijd! Welk een verplichting sluit die houding echter ook voor ons allen in, en dan in het bijzonder voor het Duitse vaderland. Stalingrad was en is de grote alarmkreet van het lot aan de Duitse natie. Een volk dat de kracht bezit om zulk een ongeluk te verdragen en ook te overwinnen, ja daaruit, zelfs nog extra energie weet te putten, is niet te verslaan. De nagedachtenis aan de helden van Stalingrad moet dus ook vandaag bij mijn toespraak tot u en tot het Duitse volk zowel voor mij als voor ons allen een diepe verplichting zijn.
Ik weet niet hoeveel miljoen mensen, via de ethergolven met ons verbonden, vanavond aan het front en in het vaderland aan deze manifestatie deelnemen en naar mij luisteren. Ik zou hen allen graag uit het diepst van mijn hart tot het diepst van hun hart willen toespreken. Ik geloof dat het hele Duitse volk met gloeiende hartstocht betrokken is bij de zaak die ik u vanavond moet voorleggen. Ik wil mijn betoog daarom ook uitrusten met alle heilige ernst en open vrijmoedigheid die dit uur van ons vraagt. Het in het nationaal-socialisme opgevoede, geschoolde en gedisciplineerde Duitse volk kan de volle waarheid verdragen [Bravogeroep, applaus]. Het weet hoe moeilijk het met de toestand van het Rijk gesteld is. En zijn bewindslieden kunnen het daarom ook oproepen uit de benardheid van de situatie de nodige harde, zonodig ook hardste consequenties te trekken [applaus]. Wij Duitsers zijn tegen zwakheid en weekheid gewapend. En slagen en tegenslagen van de oorlog verlenen ons slechts extra kracht, vastbeslotenheid en een psychische en strijdlustige activiteit die bereid is om alle moeilijkheden en hindernissen met revolutionair elan te overwinnen.
Het is nu niet het ogenblik om te vragen hoe het allemaal zo gekomen is. Dat zal voorbehouden blijven aan een latere rekenschapsaflegging die in volle openbaarheid zal plaatsvinden en het Duitse volk en het wereldtribunaal zal laten zien dat het ongeluk, dat ons de laatste weken heeft getroffen, een diepe, lotsverbonden betekenis heeft. Het grote heldenoffer door onze soldaten in Stalingrad gebracht, is voor het hele Oostfront van doorslaggevend historische betekenis geweest. Het was niet voor niets. Waarom – dat zal de toekomst uitwijzen. Wanneer ik thans over het jongste verleden heen mijn blik weer naar voren richt, dan doe ik dat geheel opzettelijk. Het uur dringt. Het laat geen tijd meer open voor vruchteloze debatten. Wij moeten handelen, en wel onverwijld, snel en doortastend, - zo als het [heilgeroep, applaus] – zo als het van meet af aan nationaal-socialistisch gebruik is geweest. Van het begin af is de beweging in de vele crises, die zij al strijdend moest doorstaan, zo te werk gegaan. En ook de nationaal-socialistische staat is, als er een bedreiging opdook, deze met vastbesloten wilskracht te lijf gegaan. Wij lijken niet op de struisvogel die zijn kop in het zand steekt om het gevaar niet te zien. Wij zijn moedig genoeg om het direct in ogenschouw te nemen, het vermetel en meedogenloos in te schatten en het dan met opgeheven hoofd en vaste besluitvaardigheid tegemoet te treden! Pas dan ontwikkelden wij als beweging en als volk altijd ook onze hoogste deugden: namelijk de ongebreidelde en vastbesloten wil om het gevaar te breken en te bezweren, een sterkte van karakter die alle hindernissen overwint, taaie verbetenheid bij het nastreven van het eenmaal onderkende doel en een ijzeren hart dat gewapend is tegen alle innerlijke en uiterlijke aanvechtingen!
Zo moet het ook vandaag zijn. Ik heb de taak u een ongeflatteerd beeld van de situatie te schetsen en daaruit de harde consequenties te trekken voor het handelen van de Duitse bewindslieden, maar ook voor het handelen van het Duitse volk. Wij staan in het oosten op dit ogenblik onder een zware militaire druk. En die druk heeft tijdelijk grotere afmetingen aangenomen en lijkt, zij het niet van karakter, dan toch van omvang op die van de afgelopen winter. Over de oorzaken daarvan zal later ooit gesproken moeten worden. Vandaag zit er niets anders voor ons op dan de aanwezigheid ervan vast te stellen en de middelen en wegen te overdenken en te gebruiken respectievelijk in te slaan die tot eliminatie daarvan leiden. Het heeft daarom echter ook volstrekt geen zin om die druk zelf te ontkennen. Ik voel me er te goed voor om u van de situatie een vertekend beeld te geven dat slechts tot verkeerde conclusies zou kunnen leiden en geschikt zou zijn om het Duitse volk te staven in zijn zekerheid van levenswandel en handelen die beslist niet zou stroken met de huidige situatie. De stormloop van de steppe tegen ons eerbiedwaardig continent is deze winter losgebroken met een geweld dat alle menselijke en historische voorstellingen in de schaduw stelt. Het Duitse leger vormt daartegen met zijn bondgenoten de enige ook maar in aanmerking komende verdedigingsmuur. De Führer heeft al in proclamatie van 30 januari met ernstige en indringende woorden de vraag opgeworpen wat er van Duitsland en Europa geworden zou zijn als op 30 januari 1933 in plaats van de nationaal-socialistische beweging een burgerlijke of een democratisch regime de macht had overgenomen. Welke gevaren zouden dan sneller dan wij toen zelf konden vermoeden het rijk hebben geteisterd en welke defensieve krachten zouden ons dan nog ter beschikking hebben gestaan om ze het hoofd te bieden? Tien jaar nationaal-socialisme zijn voldoende geweest om het Duitse volk volledige helderheid te verschaffen over de ernst van de lotsverbonden problematiek die uit het oosters bolsjewisme voortvloeit. Men zal nu ook begrijpen waarom wij ons Neurenbergs Partijcongres zo vaak in het teken hebben geplaatst van de strijd tegen het bolsjewisme. Wij wilden toen onze waarschuwende stem verheffen tegenover het Duitse volk en tegenover het wereldtribunaal om de door een weergaloze wils- en geestverlamming getroffen mensheid uit het avondland wakker te schudden en de ogen te openen voor de huiveringwekkende historische gevaren die voortkomen uit de aanwezigheid van het oosters bolsjewisme dat een volk van bijna twee miljoen mensen dienstbaar gemaakt heeft aan de joodse terreur en het op een aanvalsoorlog tegen Europa voorbereidde.
Toen de Führer het Duitse leger op 22 juni 1941 in het Oosten voor de aanval liet aantreden, was het voor ons nationaal-socialisten duidelijk dat daarmee in feite de beslissende ronde van dit gigantische wereldgevecht aanbrak. Wij wisten welke gevaren en moeilijkheden deze voor ons met zich mee zou brengen. Het was voor ons echter ook duidelijk dat de gevaren en moeilijkheden als we langer zouden afwachten alleen maar konden groeien en nooit afnemen. Het was twee minuten voor twaalf! Een blijven aarzelen had gemakkelijk tot vernietiging van het rijk en tot de volkomen bolsjewisering van het Europese continent geleid.
Het is begrijpelijk dat wij bij de grootscheepse maskerade- en blufmanoeuvres van het bolsjewistische regime het oorlogspotentieel van de Sovjetunie niet juist hebben ingeschat. Pas nu openbaart het zich aan ons in heel zijn woeste omvang. Dientengevolge is ook de strijd die onze soldaten in het Oosten het hoofd moeten bieden bovenmenselijk hard, zwaar en gevaarlijk. Deze strijd vergt de inzet van onze hele nationale kracht. Hier doet zich een bedreiging van het rijk en van het Europese continent voor die alle tot dusver gekende gevaren van het avondland diep in de schaduw stelt. Mochten wij falen in deze strijd, dan zouden wij daarmee helemaal onze historische missie verspelen! Alles wat wij tot dusver opgebouwd en tot stand gebracht hebben, verbleekt vergeleken bij de gigantische taak die het Duitse leger hier direct en het Duitse volk indirect wordt opgelegd.
Ik richt mij in mijn betoog in de eerste plaats tot het wereldtribunaal en proclameer hiertegenover de stellingen van onze strijd tegen het bolsjewistisch gevaar in het Oosten. De eerste van deze drie stellingen luidt: als het Duitse leger niet in staat is om het gevaar uit het Oosten te breken, dan zal daarmee het rijk en vlak daarna heel Europa ten prooi vallen aan het bolsjewisme [applaus]. De tweede van deze drie stellingen luidt: het Duitse leger en het Duitse volk alleen bezitten met hun bondgenoten de kracht om een ingrijpende reddingsactie van Europa uit deze bedreiging door te voeren [applaus]. De derde van deze stellingen luidt: er dreigt gevaar, er moet snel en doortastend gehandeld worden, anders is het te laat! [bravogeroep, applaus].
Bij de eerste stelling heb ik de volgende kanttekening: het bolsjewisme heeft van meet af aan heel openlijk het doel geproclameerd niet alleen Europa, maar de hele wereld in opstand te brengen en in een bolsjewistische chaos te storten. Dit doel is vanaf het ontstaan van de bolsjewistische Sovjetunie door het Kremlin ideologisch vertegenwoordigd en in de praktijk verdedigd. Het is duidelijk dat Stalin en de andere Sovjetbonzen hoe meer ze de verwezenlijking van hun wereldverwoestende oogmerken menen te naderen deze ook des te meer trachten te maskeren en te versluieren. Dat kan ons niet van de wijs brengen. Wij behoren niet tot die vreesachtige zielen die als gehypnotiseerd konijn naar een slang kijken totdat ze hierdoor worden verslonden! Wij willen het gevaar tijdig onderkennen en dit ook tijdig met effectieve middelen bestrijden! Wij doorzien niet alleen de ideologie, maar ook de praktijken van het bolsjewisme, want daarmee hebben we ons al eens eerder, en wel met het grootst denkbare resultaat, op het gebied van de binnenlandse politiek beziggehouden. Ons kan het Kremlin niets meer wijsmaken. Wij hebben tijdig tijdens de veertien jaar durende strijd voor de machtsovername een tien jaar durende strijd na de machtsovername zijn bedoelingen en infame wereldbedriegende manoeuvres ontmaskerd. Het doel van het bolsjewisme is de wereldrevolutie van de joden! Zij willen chaos brengen over het rijk en over Europa om in de daaruit voortvloeiende wanhoop en vertwijfeling van de volkeren hun internationale, bolsjewistisch versluierde kapitalistische tirannie op te richten [boegeroep en andere interrupties].
Wat dat voor het Duitse volk zou betekenen, behoeft hier verder geen betoog. Met de bolsjewisering van het rijk zou een liquidatie gepaard gaan van heel onze intelligentsia en topklasse en als gevolg daarvan de werkende massa’s in bolsjewistisch-joodse slavernij brengen, dat is het doel! Men zoekt in Moskou bataljons dwangarbeiders, zoals de Führer al zei in zijn proclamatie van 30 januari, voor de Siberische toendra’s. De opstand van de steppe voltrekt zich voor onze frontlinies, en de stormloop van het Oosten, die met dagelijks toenemend geweld tegen onze frontlinies beukt, is niets anders dan een poging om de historische verwoestingen te herhalen die vroeger al zo vaak in onze geschiedenis het leven van ons continent in gevaar hebben gebracht.
Daarmee is echter ook een directe acute levensbedreiging niet allen voor ons, maar voor alle Europese mogendheden een feit. We moeten niet denken dat het bolsjewisme, als het de kans kreeg om zijn triomftocht door het rijk te aanvaarden, ergens aan onze grenzen op grond van een papieren afspraak halt zou houden. Het voert een agressieve politiek en een agressieve oorlogsstrategie die het expliciet op de bolsjewisering van alle landen en volkeren voorzien heeft. Papieren verklaringen die door het Kremlin of als garantieverplichtingen door Londen of Washington tegen deze niet te bestrijden oogmerken worden afgegeven, imponeren ons niet! Wij weten dat we in het Oosten te maken hebben met een infernaal politiek duivelsbewind dat de verder onder mensen en staten gebruikelijke betrekkingen niet erkent.
Als bijvoorbeeld de Engelse lord Beaverbrook verklaart dat de leiding van Europa aan het bolsjewisme moet worden toevertrouwd, als een gezaghebbend Amerikaans-joods journalist, Brown, deze stelling completeert met de cynische uitspraak dat een bolsjewisering van Europa misschien wel helemaal de oplossing van ons continentale probleem zou vormen, dan weten wij precies wat de joden daarmee bedoelen! De Europese mogendheden staan hier voor hun beslissende levensvraag! Het avondland is in gevaar! Of hun regeringen en hun intellectuele kringen dat nu willen inzien of niet, dat is daarbij volkomen irrelevant! Het Duitse volk en zijn bewindslieden zijn in ieder geval niet van zin zich al was het maar bij wijze van proef aan dit gevaar prijs te geven! [heilgeroep, krachtig applaus].
Achter de aanstormende Sovjetdivisies zien wij al de joodse liquidatiecommando’s, daarachter verheft zich echter de panische angst, het spook van honger voor miljoenen mensen en een volkomen Europese anarchie. Hier betoont het internationale jodendomzich wederom als het duivels ferment van decompositie dat er een welhaast cynisch genoegen in schept om de wereld in de diepste wanorde te storten en daarmee de ondergang te bewerkstelligen van duizenden jaren oude culturen waarbij het zich nooit innerlijk betrokken voelde.
Wij weten daarmee dus voor welke historische taak we staan. Tweeduizend jaar opbouwend werk van de mensen uit het avondland is in gevaar. Men kan dit gevaar helemaal niet ernstig genoeg afschilderen, maar het is ook typerend dat, als men het maar bij de naam noemt, het internationale jodendom in alle landen daartegen in vlammende betogen protest aantekent. Zo ver is het dus al in Europa gekomen dat men een gevaar niet meer een gevaar mag noemen als dit van het jodendom uitgaat! Dat belet ons nationaal-socialisten echter niet de daarvoor noodzakelijke constateringen te treffen. Wij zijn nooit bang geweest voor de joden en zijn dat thans minder dan ooit! Wij hebben dat vroeger ook gedaan tijdens onze binnenlandse politieke strijd toen het communistische jodendom van het democratische jodendom in het “Berliner Tageblatt” en “Die Vossische Zeitung” gebruikt maakte om een gevaar dat van dag tot dag dreigender werd te vergoelijken en te bagatelliseren om daarmee de hierdoor bedreigde delen van ons volk een schijn van veiligheid te geven en hun defensieve krachten in slaap te sussen.
Wij zouden, als we dit gevaar niet de baas werden, in gedachten het spook van de honger, van de ellende en van dwangarbeid voor miljoenen mensen al zien opdoemen voor het Duitse volk, zouden het meest eerbiedwaardige werelddeel op zijn grondvesten zien wankelen en het historisch erfgoed van de mensheid uit het avondland onder zijn puinhopen bedelven. Dat is het probleem waarvoor we staan.
Mijn tweede stelling luidt: alleen het Duitse rijk en zijn bondgenoten zijn in staat het zojuist beschreven gevaar te bezweren. De Europese staten met inbegrip van Engeland beweren sterk genoeg te zijn om een bolsjewisering van het Europese vasteland, als deze zich in de praktijk ooit mocht voordoen, tijdig en effectief te bestrijden. Deze verklaring is kinderlijk en verdient helemaal geen weerlegging. Als namelijk de sterkste militaire mogendheid van de wereld, het Duitse rijk, niet in staat zou zijn om de dreiging van het bolsjewisme te breken, wie zou daarvoor dan de kracht opbrengen (geroep: “Niemand!”, applaus). De neutrale Europese staten soms? (geroep:”Nee!”). Zij bezitten bij hun volk noch het potentieel, noch de militaire machtsmiddelen, noch de geestelijke premissen om het bolsjewisme ook maar een strobreed in de weg te leggen. Zij zouden als het erop aan kwam door zijn gemotoriseerde robotdivisies binnen enkele dagen finaal platgewalst worden! In de hoofdsteden van de middelgrote en kleine Europese staten troost men zich met het oogmerk zich tegen het bolsjewistisch gevaar geestelijk te weer te moeten stellen (gelach). Dat herinnert allemachtig sterk aan de verklaringen van de burgerlijke middenpartijen uit het jaar 1932 dat de strijd tegen het communisme alleen met geestelijke wapenen uitgevochten kon worden. Deze bewering vonden wij ook toen al te onnozel om ons er serieus mee bezig te houden.
Het oosters bolsjewisme is niet alleen een terroristische leer, maar ook een terroristische praktijk. Het streeft zijn oogmerken en doeleinden met een infernale grondigheid na, daarbij zijn innerlijk potentieel volkomen uitputtend en zonder enige consideratie met geluk, welstand en vrede van de onderdrukte bevolkingsgroepen. Wat zouden Amerika en Engeland doen als het Europese continent in het ergste geval het bolsjewisme in de armen viel? Wil men Europa soms vanuit Londen wellicht wijsmaken dat zo’n ontwikkeling volgens afspraak aan de grens van het Kanaal tot stilstand zou komen?
Ik heb er al eens op gewezen dat het bolsjewisme zijn vreemdelingenlegioenen op het grondgebied van alle democratische landen reeds in de communistische partijen heeft staan. Geen van deze landen kan van zichzelf beweren immuun te zijn voor een interne bolsjewisering. Onlangs gehouden tussentijdse verkiezingen voor het Engelse Lagerhuis wezen uit dat de onafhankelijke, dat wil zeggen de communistische kandidaat, in een kiesdistrict dat tot dusver het onomstreden domein van de conservatieven tienduizend van de in totaal 22 000 stemmen kreeg. Dat betekent dat de rechtse partijen alleen binnen dit ene district in verloop van maar korte tijd de helft van al hun kiezers aan de communisten verloren, een bewijs temeer voor het feit dat het bolsjewistisch gevaar ook in Engeland een gegeven is en dat dit niet wordt bezworen doordat men het niet wil zien!



Alle territoriale verplichtingen die de Sovjetunie op zich neemt bezitten in onze ogen geen effectieve waarde. Het bolsjewisme pleegt zijn grenzen ook ideologisch en niet alleen militair te trekken, en daarin schuilt nu juist zijn over de grenzen van de volkeren heenspringend gevaar. De wereld heeft dus niet de keuze tussen een in zijn oude versplintering terugvallend en een onder leiding van de as-staten zich opnieuw rangschikkend Europa, maar alleen die tussen een onder militaire bescherming van de as staand en een bolsjewistisch Europa.
Bovendien ben ik er vast van overtuigd dat de lamenterende lords en bisschoppen in Londen geenszins de bedoeling hebben om het bolsjewistisch gevaar, dat bij een verder opdringen van de Russische legers voor de Europese staten een feit zou zijn, praktisch tegen te gaan. Het jodendom heeft de Angelsaksische landen geestelijk en politiek al zo diep doordrongen dat zij dit gevaar helemaal niet willen zien en aanvaarden. Zoals het zich nu in de Sovjetunie bolsjewistisch maskeert, zo maskeert het zich in de Angelsaksische landen plutocratisch-kapitalistisch. De methoden van mimicry zijn het joodse ras bekend. Het is er van oudsher op uit zijn gastvolkeren in slaap te wiegen en daarmee hun afweerkrachten tegen hieruit voortvloeiende acute en levensgevaarlijke bedreigingen te verlammen [er wordt geroepen:”Wij hebben ze meegemaakt!”].
Door ons inzicht in deze problematiek zijn wij al vroeg tot het besef gekomen dat het samengaan van internationale plutocratie en het internationaal bolsjewisme beslist geen onzin is, maar een diepe en causale zin bezit. Over ons land heen reiken het West-Europese pseudo-beschaafde jodendom en het jodendom van het oosterse getto elkaar reeds de hand. Daarmee is Europa in gevaar.
Ik vlei me niet met de gedachte dat ik met deze uiteenzettingen de publieke opinie in de neutrale of zelfs in de vijandelijke landen kan alarmeren. Dat is ook niet hun doel, noch hun bedoeling. Ik weet dat de Engelse pers zich morgen met een woedend geblaf op mij zal storten, omdat ik het oog op onze druk aan het Oostfront de eerste voelhorens naar de vrede zou hebben uitgestoken. Daarvan kan vanzelfsprekend in het geheel geen sprake zijn. In Duitsland denkt tegenwoordig geen mens aan een ondeuglijk compromis, het hele volk denkt alleen aan een harde oorlog [krachtig applaus, geroep]. Ik eis echter als verantwoordelijke woordvoerder van het leidende land van dit continent voor mij het soevereine recht op om een gevaar een gevaar te noemen, als dit niet alleen ons eigen land, maar ons hele werelddeel bedreigt! Als nationaal-socialisten hebben wij het van oudsher als plicht ervaren om alarm te slaan tegen de poging het Europese vasteland in een chaos te storten door het internationale jodendom dat in het bolsjewisme een terroristische legermacht heeft opgebouwd, waarvan het gevaar geenszins kan worden overschat.
De derde stelling die ik hier nader wil toelichten is dat er direct gevaar in het verschiet ligt. De geestelijke verlammingsverschijnselen van de West-Europese democratieën tegenover hun meest dodelijk bedreiging zijn werkelijk benauwend. Het internationale jodendom stimuleert ze uit alle macht. Net zo als het verzet tegen het communisme in onze strijd om de macht in ons eigen land door de joodse kranten kunstmatig in slaap gesust en alleen door de nationaal-socialistische beweging weer tot leven gewekt werd, net zo is dat tegenwoordig bij de andere volkeren het geval. Het jodendom betoont zich hier weer eens als de belichaming van het kwaad, als levende demon van het verval en als drager van een internationale cultuurverwoestende chaos.
Men zal, maar dit hier slechts terzijde, in dit verband ook onze consequente jodenpolitiek kunnen begrijpen, ook al sturen de joden tegenwoordig in Berlijn hun oude meelijwekkende garde naar voren [interrupties: “Ophangen!”]. Wij zien in het jodendom voor ieder land een direct gevaar. Hoe andere volkeren zich tegen dit gevaar te weer stellen, dat is ons om het even. Hoe wij ons daar echter tegen te weer stellen, dat is onze zaak waarin we generlei inmenging dulden! Het jodendom vormt een besmettelijk verschijnsel dat aanstekelijk werkt. Wanneer het vijandelijke buitenland schijnheilig protest aantekent tegen onze anti-joodse politiek en huichelachtige krokodillentranen vergiet over onze maatregelen tegen het jodendom, dan kan ons dat niet beletten om het meest noodzakelijke te doen. Duitsland is in ieder geval niet van plan om zich voor die joodse bedreiging te buigen, maar veeleer deze tijdig tegemoet te treden, zonodig met een volkomen en meest radicale uitroei…, uitschakeling van het jodendom [krachtig applaus, wild geroep, gelach]!
In het teken van al deze overwegingen staat de militaire druk in het Oosten. De oorlog van de gemechaniseerde robots tegen Duitsland en tegen Europa heeft zijn hoogtepunt bereikt. Het Duitse volk vervult met zijn as-partners in de waarste zin van het woord een Europese missie als het deze direct en ernstige levensbedreiging met de wapens tegemoet treedt. We laten ons niet door het geschreeuw van het internationale jodendom, alom vernomen, afbrengen van de moedige en eerlijke voortzetting van de gigantische strijd tegen deze wereldpest. Deze kan en mag alleen met een overwinning eindigen! [heilgeroep, stormachtig applaus, spreekkoren: “Duitse mannen aan het geweer! Duitse vrouwen aan het werk!]
De strijd om Stalingrad werd welhaast een symbool van dit verzet tegen het oproer van de steppe. Deze had derhalve niet alleen een militaire, maar ook een geestelijke en psychische betekenis verworven voor het Duitse volk die zeer diep invrat. Pas hier zijn ons de ogen ten volle geopend voor de uit deze oorlog voortvloeiende problematiek. Wij willen nu helemaal niets meer weten van valse verwachtingen en illusies. Wij willen de feiten, al zijn ze nog zo hard en gruwelijk, moedig onder ogen zien. Want in de geschiedenis van onze partij en van ons land is een onderkend gevaar iedere keer nog voor de helft al een bezworen gevaar gebleken.
In het teken van dit heldhaftige verzet staan onze volgende zwaarste verdedigingsgevechten in het Oosten. Ze leggen op onze soldaten en onze wapenen beslag in een mate die ons bij alle tot dusver ondernomen veldtochten volkomen onbekend was. In het Oosten woedt een genadeloze oorlog. De Führer heeft deze raak getypeerd, toen hij in zijn proclamatie van 30 januari verklaarde: “Er zullen daaruit geen overwinnaars en overwonnenen te voorschijn treden, maar alleen nog overlevenden en vernietigden.” Het Duitse volk heeft dat heel duidelijk ingezien. Met zijn gezonde instinct heeft het zich op een eigen wijze een weg gebaand door een wirwar van de door de dagelijkse actualiteit bepaalde geestelijke en psychologische moeilijkheden van deze oorlog. Wij weten tegenwoordig heel precies dat de bliksemoorlog van de veldtocht naar Polen en naar het Westen voor het Oosten nog slechts een betrekkelijke geldigheid bezit. Hier strijdt de Duitse natie om haar alles! Wij zijn in deze strijd tot het inzicht gekomen dat het Duitse volk hier zijn heiligste bezittingen: zijn gezinnen, zijn vrouwen en zijn kinderen, de schoonheid en ongereptheid van zijn landschap, zijn steden en dorpen, het tweeduizendjarig erfgoed van zijn cultuur en alles wat het leven voor ons waard maakt, moet verdedigen.
Voor die schatten van ons rijke volkseigen heeft het bolsjewisme niets de minste begrip, en het zou daar zonodig ook niet in het minste rekening mee houden. Het doet dat immers niet eens tegenover zijn eigen volk. De Sovjetunie heeft het bolsjewistisch oorlogspotentieel al vijfentwintig jaar lang uitgeput in een mate die voor ons volkomen onvoorstelbaar was en daarom door ons ook verkeerd werd ingeschat. Dit terroristische jodendom heeft in Rusland tweehonderd miljoen mensen aan zichzelf dienstbaar gemaakt en daarbij zijn cynische methoden en praktijken verweven met de botte taaiheid van het Russische ras dat daarom een des te groter gevaar voor de Europese cultuurvolkeren vormt. In het Oosten wordt een heel volk tot vechten gedwongen, hier worden mannen, vrouwen en zelfs kinderen niet alleen de wapenfabrieken, maar ook de oorlog in gejaagd. Tweehonderd miljoen mensen staan er hier, ten dele onder de terreur van de GPU, ten dele bevangen in duivelse denkbeelden, met ongebreidelde stompzinnigheid tegenover ons. De grote hoeveelheden tanks die deze winter ons Oostfront bestormen, zijn de vrucht van een vijfentwintigjarige miserie en ellende van het bolsjewistische volk.
Daartegen moeten wij met dienovereenkomstige tegenmaatregelen optreden, als we de wedstrijd niet als verloren willen opgeven. Ik geef hier uitdrukking aan mijn vaste overtuiging dat wij het bolsjewistische gevaar op de duur alleen kunnen bedwingen als we dit zo niet met gelijke, dan toch met gelijkwaardige methoden bestrijden. Het Duitse volk staat daarmee voor het ernstigste probleem van deze oorlog, namelijk deze: de vastbeslotenheid op te brengen om alles in te zetten, om alles wat het bezit te behouden en alles wat het voor het latere leven nodig heeft te bemachtigen.[…] Dit uur gebiedt ons dus een totale oorlog. Het moet nu afgelopen zijn met de burgerlijke overgevoeligheden die ook in deze beslissende strijd te werk willen gaan volgens het principe: “Was mijn huid, maar maak me niet nat!” [krachtig applaus]. Het gevaar waarvoor wij staan is reusachtig groot. Reusachtig groot moeten daarom ook de inspanningen zijn waarmee we dit tegemoet treden. Het uur is nu dus aangebroken om onze fluwelen handschoenen uit te trekken! [heilgeroep, krachtig applaus]. Het gaat niet meer aan het rijke oorlogspotentieel niet alleen van ons eigen land, maar van de ons ter beschikking staande belangrijke delen van Europa slechts vluchtig en aan de oppervlakte uit te putten. Het moet ten volle worden uitgeput, en wel zo snel en zo grondig als dat organisatorisch en zakelijk maar denkbaar is. Hier zou een verkeerde omzichtigheid volkomen misplaatst zijn. Europa’s toekomst hangt van onze strijd in het Oosten af! Wij staan klaar om het te beschermen! Het Duitse volk stelt zijn kostbaarste nationale bloed voor die strijd ter beschikking; de rest van Europa zou daarvoor tenminste zijn werkkracht ter beschikking moeten stellen. Wie deze strijd in de rest van Europa thans nog niet begrijpt, zal ons morgen op de knieën danken dat we deze op ons hebben genomen!
Het ergert ons niet eens als onze vijanden in het buitenland beweren dat de maatregelen die wij nu voor de totalisering hebben doorgevoerd, gelijk waren aan die van het bolsjewisme. Schijnheilig verklaren zij dat men daaruit dus zou moeten concluderen dat onder deze omstandigheden de strijd tegen het bolsjewisme overbodig is, want wij waren immers bolsjewisten. Het gaat hier niet om de methode waarmee men het bolsjewisme tegen de grond slaat, maar om het doel: namelijk het uitschakelen van het gevaar! (bravogeroep, applaus). De vraag is dus niet of de methoden die wij toepassen fraai of minder fraai, maar alleen of ze succesvol zijn. In ieder geval zijn wij als nationaal-socialistische leiders van ons volk nu overal toe bereid. Wij slaan toe zonder consideratie met de protesten van deze of gene! Wij willen niet meer in het belang van de instandhouding van een hoge, soms bijna vredestijdachtige binnenlandse levensstandaard voor een bepaalde laag van de bevolking het Duitse potentieel verzwakken en daarmee onze oorlogsvoering in gevaar brengen. Integendeel, wij doen vrijwillige afstand van een belangrijk deel van deze levensstandaard om het oorlogspotentieel zo snel en grondig mogelijk te verhogen.
Overigens heerst daaromtrent, naar mij in ontelbare brieven uit het vaderland en bijvalsbetuigingen van het front wordt meegedeeld, in het hele Duitse volk eigenlijk maar één mening. Iedereen weet dat deze oorlog, als we hem zouden verliezen, ons allemaal zou vernietigen. En daarom is het volk met zijn bewindslieden vastbesloten het heft strikt in eigen hand te nemen. De brede werkende massa’s van ons volk maken de regering niet tot verwijt dat zij te meedogenloos, maar hoogstens dat zij te meedogend te werk gaat. Men vrage dit allerwege aan het Duitse volk, en men zal slechts één antwoord krijgen: het radicaalste is tegenwoordig net radicaal en het totaalste is net totaal genoeg om tot de overwinning te leiden! [bravogeroep, applaus]
Daarom is de totale oorlogsvoering een zaak van het hele Duitse volk. Niemand kan zich ook maar met een zweem van gerechtvaardigheid aan haar eisen onttrekken. Toen ik in mijn toespraak van 30 januari vanaf deze plaats de totale oorlog proclameerde, walmden mij de om me heen verzamelde mensenmassa’s orkanen van instemming toe. Ik kan dus vaststellen dat de bewindslieden zich met hun maatregelen in de zuiverste overeenstemming bevinden met het hele Duitse volk, zowel in het vaderland als aan het front. Het volk wil alle, ook de zwaarste lasten op zich nemen en is bereid tot ieder offer, als dit ten goede komt aan de overwinning. De voorwaarde daarvoor is echter dat de lasten rechtvaardig worden verdeeld. Het zal dus niet geduld worden dat het verreweg grootste deel van de bevolking de hele oorlogslast draagt en een klein passief deel zich aan de lasten en de verantwoordelijkheid van de oorlog probeert te onttrekken.
De maatregelen die wij getroffen hebben en nog moeten treffen, zullen derhalve vervuld zijn van de geest van de nationaal-socialistische rechtvaardigheid. Wij houden geen rekening met klasse en beroep. Arm en rijk en hoog en laag moeten op dezelfde wijze worden aangesproken. Iedereen zal in deze ernstige fase van onze beslissende strijd worden aangespoord, en zonodig gedwongen, om zijn plicht tegenover het land te vervullen. Ook daarbij weten wij ons in de volste overeenstemming met de nationale wil van ons volk. Wij willen liever teveel dan te weinig kracht inzetten om de overwinning te behalen. Nog nooit in de geschiedenis der volkeren is een oorlog verloren, omdat de leiding teveel soldaten had. Zeer veel werden er echter verloren, omdat het omgekeerde het geval was. […] Het is dus tijd om de achterblijvers achter de broek te zitten. Zij moeten uit hun gezapige rust worden wakker geschud. Wij kunnen niet wachten tot zij vanzelf tot bezinning komen en het dan misschien te laat is! Het moet als een alarmsignaal door het volk gaan! Een werk van miljoenen handen moet onverwijld beginnen, en wel allerwegen.
De maatregelen die wij reeds getroffen hebben en nog moeten nemen en die ik in het vervolg van mijn uiteenzettingen nader zal toelichten, zijn ingrijpend voor het hele particuliere en publieke leven. De offers die de afzonderlijke burger daarbij moet brengen, zijn soms zwaar. Maar ze betekenen toch maar weinig vergeleken bij de offers die hij moeten brengen als hij deze offers niet zou willen doen en daarmee de grootste nationale rampspoed over ons volk afriep. Men kan beter op het juiste tijdstip een operatieve ingreep doen dan geduldig afwachten en de ziekte zich eerst stevig te laten nestelen! Men mag echter de chirurg die de ingreep verricht niet in de armen vallen of hem zelfs wegens het toebrengen van lichamelijk letstel aanklagen. Hij kerft nooit om te doden, maar om het leven van de patiënt te redden!
Wederom moet ik hier benadrukken dat, hoe zwaarder de offers zijn die het Duitse volk moet brengen, des te dringender de eis dient te worden gesteld dat ze rechtvaardig verdeeld worden. Dat wil het volk. Niemand verzet zich er tegenwoordig tegen om ook de zwaarste oorlogslasten op zich te nemen. Maar het strijkt natuurlijk iedereen tegen de haren in als bepaalde mensen zich op de een of andere manier steeds weer aan de lasten proberen te onttrekken. De nationaal-socialistische bewindslieden hebben de morele, maar ook de staatspolitieke plicht om zulke pogingen manmoedig, vastberaden en zonodig echter ook met draconische straffen te bestrijden. Omzichtigheid zou hier volkomen misplaatst zijn en waarschijnlijk leiden tot een verwarring van gevoelens en meningen van ons volk die een groot gevaar voor onze publieke oorlogsmoraal tot gevolg zou moeten hebben.
Wij zijn zodoende ook gedwongen om een aantal maatregelen te treffen die voor de oorlogsvoering zelf weliswaar niet van vitaal belang zijn, maar een vereiste lijken voor de instandhouding van het oorlogsmoreel in het vaderland en aan het front. Ook de optiek van de oorlog, dat wil zeggen het uiterlijk beeld van de oorlogvoering, is in het vierde oorlogsjaar van een doorslaggevend belang. Het front heeft met het oog op de bovenmenselijke offers die dit dagelijks moet brengen, er een elementair recht op dat ook niet één enkeling in het vaderland het recht voor zich opeist om langs de oorlog en de daaraan verbonden plichten heen te leven. Niet alleen het front eist dit echter, maar ook het veruit overwegende fatsoenlijke deel van het vaderland. De vlijtigen hebben er recht op dat, als zij tien, twaalf en soms wel veertien uur per dag werken, zich vlak naast hem niet de luilakken loom uitrekken en de vlijtigen zelfs nog dom en niet geraffineerd genoeg verslijten. Het vaderland moet in zijn totaliteit zuiver en intact blijven, niets mag zijn oorlogsbeeld vertroebelen.
Er is daarom een aantal maatregelen getroffen om recht te doen aan deze nieuwe optiek van de oorlog. Wij hebben bijvoorbeeld gelast de bars en de nachtclubs te sluiten. Ik kan mij niet voorstellen dat er tegenwoordig nog mensen zijn die hun oorlogsplicht nauwgezet vervullen en tegelijkertijd tot diep in de nacht in pretlokalen rondhangen. Ik kan daaruit alleen maar concluderen dat zij het niet al te nauw nemen met hun oorlogsplichten. Wij hebben die pretlokalen gesloten, omdat ze onze oorlogsmoraal tot last begonnen te worden en het beeld van de oorlog vertroebelden. En dat verdraagt het Duitse volk niet! Wij willen daarmee beslist geen schijnheilige rol spelen. Na de oorlog zullen wij graag weer handelen volgens het principe: leven en laten leven. Tijdens de oorlog geldt echter het principe: strijden en laten strijden! [bravogeroep en applaus]



Ook luxe restaurants, waarvan de uitgaven in geen verhouding staan tot het bereikte resultaat, zijn tot sluiting gedoemd. Het kan zijn dat deze of gene ook tijdens de oorlog nog een hoofdtaak ziet in de verzorging van zijn maag. Met hem kunnen wij helaas geen rekening meer houden. Als aan het front onze strijdende troepen van grenadier tot veldmaarschalk uit de veldkeuken eten, dan –geloof ik – is het niet teveel gevraagd als wij in het vaderland iedereen dwingen om tenminste met de meest elementaire geboden van het gemeenschapsdenken rekening te houden! Fijnproevers worden wij wel weer na de oorlog. Nu hebben wij wel iets belangrijkers te doen dan onze maag te verzorgen. Ook ontelbare luxe- en representatieve winkels zijn inmiddels opgeheven. Zij waren voor het koperspubliek veelal slechts een steen des aanstoots. Voor de gemiddelde mens was daar praktisch nauwelijks meer iets te koop, hoogstens alleen als men zo nu en dan niet met geld, maar me boter of eieren betaalde. Wat hebben winkels echter voor zin die geen artikelen meer verkopen en alleen elektrisch licht, verwarming en menselijke arbeidskracht verslinden waaraan het ons elders, vooral bij de wapenproductie, alom ontbreekt.
Men werpe hier niet tegen op dat de instandhouding van deze schijnvrede het buitenland imponeert. Het buitenland wordt het meest geïmponeerd door een overwinning! In de tijd van onze strijd waren wij straatarme nazi’s! En toen we gewonnen hadden, dong iedereen naar onze vriendschap! Ook als wij in deze oorlog ooit gewonnen hebben, zal iedereen onze vriend willen zijn. Zouden wij echter ooit het onderspit delven, dan zijn onze vrienden waarschijnlijk op de vingers van één hand te tellen. Wij hebben daarom en streep gezet door deze valse illusies die het beeld van de oorlog vertekenen! Wij zullen de mensen die daar in de lege winkels staan te lanterfanten aan een meer profijtelijke bezigheid helpen in de openbare oorlogseconomie. Dit proces is net pas op gang gebracht en zal uiterlijk op 15 maart afgesloten zijn. Het betekent natuurlijk dat een reusachtige reorganisatie van ons hele economische leven, honderdduizenden mensen worden in beweging gezet. Wij gaan daarbij niet willekeurig te werk, wij zijn namelijk niet nerveus. Wij willen ook niemand ten onrechte aanklagen of naar alle kanten berispingen en verwijten uitdelen. Wij doen alleen dat wat noodzakelijk is, maar dat doen we snel en grondig. Wij dragen liever een paar jaar verstelde kleren dan dat we een paar eeuwen in lompen rondlopen!
Wat moeten we tegenwoordig bijvoorbeeld nog met modesalons die licht, verwarming en menselijke arbeidskracht verslinden? Zij zullen na de oorlog, als we daar weer tijd en animo voor hebben, opnieuw ontstaan, allicht. Wat moeten we met kapsalons waar een schoonheidscultus wordt bedreven die enorm veel tijd en arbeidskracht opslokt, die voor in vredestijd weliswaar fijn en prettig is, maar in oorlogstijd toch op zijn minst gemist kan worden? Onze vrouwen en meisjes moeten niet bang zijn: zij zullen ook zonder vredesachtige uitdossing bij onze als overwinnaar huiswaarts kerende soldaten in de smaak vallen (hilariteit en krachtig applaus).
In de overheidsinstanties zal in de toekomst wat sneller en minder bureaucratisch gewerkt worden. Het maakt beslist geen goede indruk als daar na een achturige werkdag klokslag zes de dossiermap wordt dichtgeslagen en het werk neergelegd. Het volk is er niet voor de instanties, de instanties zijn er voor het volk. Men werke dus niet zo lang tot de klok slaat, maar tot het werk af is. Dat is het gebod van de oorlog. Wanneer de Führer dat kan, kunnen zijn loonslaven dat ook! Is er voor een langere werktijd niet voldoende werk, dan staat men tien of twintig of dertig procent van de medewerkers af aan de voor de oorlog van vitaal belang zijnde economie en stelt daarmee weer een dienovereenkomstig aantal mannen vrij voor het front, dat is immers het probleem! Dat geldt voor alle posten in het vaderland, zowel civiele als militaire. Misschien zal juist daardoor ook het werk in de overheidsinstanties wel wat sneller en wat minder flegmatiek worden uitgevoerd! Wij moeten tijdens de oorlog niet alleen grondig, maar ook prompt werken. De soldaat aan het front heeft ook niet wekenlang de tijd om uitvoerig over een maatregel na te denken, die vervolgens van hand tot hand in een dossiermap door te geven en daarna in die dossiermap te laten verstoffen. Hij moet onmiddellijk handelen, omdat hij anders zijn leven verliest! Wij in het vaderland verliezen weliswaar door traag te werken niet ons eigen leven, maar wij brengen het leven in gevaar van het Rijk.[…]
Helemaal moet iedereen het in deze tijd tot een vanzelfsprekend gebod van de oorlogsmoraal maken om de grootste egards te betrachten met de gerechtvaardigde eisen van het werkende en strijdende volk. Wij zijn geen spelbrekers, maar wij laten het spel voor ons ook niet verknoeien! Als bijvoorbeeld bepaalde mannen en vrouwen wekenlang in de herstellingsoorden rondlummelen, elkaar daar geruchten overbrieven en daarbij de plaats innemen van zware oorlogsinvaliden en arbeiders en arbeidsters die, na zich een jaar of twee jaar hard te hebben ingezet, recht op vakantie hebben, dan is dat schandalig en daarom afgeschaft! De oorlog is niet de juiste tijd voor een bepaald amusementsbelust gespuis. Onze vreugde tot het einde aan toe is het werk en de strijd, daarin vinden wij onze innerlijke psychische genoegdoening. Wie dat niet uit eigen plichtsgevoel begrijpt, moet tot dat plichtsgevoel opgevoed en, zonodig, gedwongen worden. Hier help alleen een harde aanpak!
Het maakt bijvoorbeeld op het volk geen goede indruk als wij met een reusachtigepropaganda de leuze uitvaardigen: ‘Wielen moeten draaien voor de overwinning’, het hele volk daaruit de conclusie trekt en geen nutteloze reizen aanvaardt en werkloze plezierreizigers uit dien hoofde echter alleen maar meer plaats in de trein krijgen. De trein dient tegenwoordig voor transporten en zakenreizen die voor de proloog belangrijk respectievelijk noodzakelijk zijn. Op vakantie mag alleen degene aanspraak maken die anders zwaar in zijn werk- en strijdkracht zou worden bedreigd. De Führer heeft sinds het begin van de oorlog en lang daarvoor niet een enkele dag vakantie gehad. Wanneer dus de eerste man in het land zijn plicht zo serieus en verantwoordelijk opvat, dan moet dat voor iedere burger en burgeres uit het land een stille, maar toch niet te negeren wenk zijn om zich ook daarnaar te richten. De regering doet anderzijds alles om voor het werkende volk in deze moeilijke tijd de nodige ontspanningsmogelijkheden te behouden. Theaters, bioscopen en concertzalen blijven op volle toeren draaien. De radio zal trachten zijn programma nog uit te breiden en te vervolmaken. Wij hebben beslist niet de bedoeling ons volk te hullen in een grauwe winterstemming. Wat ten bate is van het volk, wat zijn strijd- en werkkracht in stand houdt, staalt en vergrot, dat is goed en in het belang van de oorlog. Het tegenovergestelde dient te worden afgeschaft! Ik heb daarom als tegenwicht tegen de zojuist beschreven maatregelen bevel gegeven de intellectuele en psychische ontspanningsplaatsen in samenwerking met onze partijgenoot Ley niet te verminderen, maar te vermeerderen! Dat geldt ook voor de sport. Sport is tegenwoordig geen zaak van bevoorrechte kringen. Vrijstellingen en dienstplicht zijn echter ook op sportgebied volkomen zinloos. Sport heeft immers de taak de lichaamskracht te stalen, zij het in hoofdzaak wel met het doel deze tenminste in de ergste tijd van nood van het volk ook in te zetten.
Dat alles wil ook het front. Het eist met stormachtige instemming dat het Duitse volk in het vaderland zich solidair verklaart. Wij willen nu niets meer horen over voor de oorlog onbelangrijke bedrijvigheid en gewichtigdoenerij. Wij willen daar geen tijd en geen energie meer aan verspillen. Wij willen niets meer horen over een overspannen, omslachtig vragenlijst-gedoe voor alle flauwekul! Wij willen ons niet versnipperen in duizend kleinigheden die voor de vrede wellicht belangrijk waren, maar voor de oorlog geen betekenis bezitten.
Wij weten nu wat ons te doen staat. Het Duitse volk wil een Spartaanse leefwijze voor iedereen, voor hoog en laag en arm en rijk. Zo als de Führer het hele volk een voorbeeld geeft, zo moet het hele volk in al zijn geledingen zich dit voorbeeld ook tot exempel nemen. Wanneer hij alleen werk en zorgen kent, dan willen wij werk en zorg niet alleen aan hem overlaten, maar het deel dat we hem kunnen afnemen ook op ons nemen.
De tijd die wij thans doormaken vertoont in heel haar opzet voor iedere rechtgeaarde nationaal-socialist een verbluffende gelijkenis met de tijd van onze strijd. Toen en sindsdien altijd hebben wij zo gehandeld. Wij zijn altijd met het volk door dik en dun gegaan, en daarom is het volk ook op alle wegen onze volgeling geweest. Wij hebben altijd met het volk alle lasten gedragen, en daarom leken die omstandigheden ons niet zwaar, maar licht. Het volk wil geleid worden! Nog nooit heeft de geschiedenis een voorbeeld gekend dat op een kritiek ogenblik van het nationale leven het volk een dapper en vastbesloten leiding weigerde te volgen! Ik zou in dit verband ook graag een paar woorden willen zeggen over enkele praktische maatregelen van de totale oorlog die wij reeds getroffen hebben. Het probleem waar het om draait, luidt: vrijmaking van soldaten voor het front, vrijmaking van arbeiders en arbeidsters voor de oorlogseconomie. Aan deze beide doeleinden moeten alle andere behoeften ondergeschikt gemaakt worden, zelfs ten koste van ons maatschappelijk levenspeil tijdens de oorlog. Dat moet geen definitieve stabilisering van onze levensstandaard vormen, maar is slechts een middel om het doel te bereiken.
Binnen dat kader moeten nu honderdduizenden dienstplichtigvrijstellingen in het vaderland opgeheven worden. Deze vrijstellingen waren tot dusver noodzakelijk, omdat we niet over voldoende vak- en sleutelkrachten beschikten die de door opheffing van de vrijstellingen leegkomende plaatsen weer konden bezetten. Het is nu de bedoeling van de getroffen en nog te treffen maatregelen de daarvoor benodigde arbeidskrachten te mobiliseren. Daarom richt ons appèl zich tot de nog buiten de oorlogseconomie staande mannen en tot de vooralsnog buiten het arbeidsproces staande vrouwen. Zij zullen zich aan dit appèl niet willen onttrekken en ook niet kunnen onttrekken. De arbeidsplicht van de vrouwen is heel ruim geformuleerd. Dat betekent echter niet dat alleen degenen die in de wet genoemd worden eigenlijk alleen mogen werken. Iedereen is bij ons welkom, en hoe meer zich voor het grote reorganisatieproces in de interne economie ter beschikking stellen, des te meer soldaten wij voor het front kunnen vrijmaken, en des te harder de Führer de komende zomer kan toeslaan!
Onze vijanden beweren dat de Duitse vrouwen niet in staat zijn om de man in de oorlogseconomie te vervangen. En dat klopt misschien ook wel voor bepaald zwaar lichamelijk werk van onze oorlogsproductie. Daarenboven ben ik echter van mening dat de Duitse vrouw vastbesloten is om de plaats, die de man die naar het front gaat vrijmaakt, binnen de kortste termijn niet voor de helft, maar helemaal te vullen! Wij hoeven ons in deze helemaal niet op bolsjewistische voorbeelden te beroepen. Ook in de Duitse oorlogseconomie zijn al sinds jaren vele miljoenen van de beste Duitse vrouwen met het grootste succes actief, en zij wachten nu vol ongeduld op het moment waarop hun gelederen ten spoedigste door nieuwe toevoer worden vermeerderd en vervolledigd. Al degenen die zich voor dit werk ter beschikking stellen, vervullen daarmee uit dankbaarheid slechts een plicht tegenover het front. Honderdduizenden zijn er al gekomen, honderdduizenden zullen er nog komen. Binnen de kortste tijd hopen wij daarmee legers van arbeidskrachten vrij te maken die op hun beurt weer legers van strijdende soldaten zullen vrijstellen. Ik zou me sterk in de Duitse vrouwen moeten vergissen als ik moest aannemen dat zij het hiermee tot hen gerichte appèl wilden negeren. Zij zullen zich niet op een enghartige wijze aan de wet vastklampen of zelfs nog door haar mazen proberen te ontsnappen. Ik geloof dat niet. Ik kan me dat niet voorstellen. Bovendien zouden de enkelen die zulke oogmerken nastreven daarmee bij ons ook helemaal geen poot aan de grond krijgen. Doktersattesten in plaats van de opgeroepen arbeidskracht worden niet in ontvangst genomen! Ook eventueel zogenaamd alibiwerk, dat men zich bij zijn man of bij zijn zwager of bij een goed bekende verschaft om zich in werkelijkheid in alle rust aan het werk te kunnen blijven onttrekken, zal door ons al met dienovereenkomstige tegenmaatregelen worden beantwoord. De enkelen die zulke oogmerken nastreven, kunnen zich daarmee in de publieke opinie alleen maar buiten spel zetten; wij vergeten niets, na de oorlog zullen wij eraan denken. Het volk zal voor hen slechts de diepste minachting koesteren.
Niemand verlangt er vanzelfsprekend dat een vrouw, die daarvoor niet aan de benodigde lichamelijke vereisten voldoet, in de zware productie gaat van bijvoorbeeld een tankfabriek. De oorlogsindustrie telt echter ook een groot aantal productieprocessen die zonder al te sterke lichamelijke inspanningen volbracht kunnen worden en waarvoor een vrouw zich, ook als zij uit meer bevoorrechte kringen afkomstig is, beschikbaar stellen. Het zou ook zinvol zijn als vrouwen die personeel te werk stellen, deze vraag nu al aan een nader onderzoek onderwierpen. Men kan heel goed zichzelf aan het huishouden en aan de kinderen wijden en zijn dienstmeisje vrijaf geven of het huishouden en de kinderen toevertrouwen aan het dienstmeisje of aan de NSV en zich dan zelf melden om te werken. Het leven is dan alleen wel niet meer zo gezellig als in vredestijd. Wanneer pappie naar huis komt, heeft mammie niet altijd het avondeten klaar. Maar wij leven immers ook niet in vrede, maar in oorlog! Gezellig maken wij het weer als we de overwinning in handen hebben. Nu echter moeten wij het gemak opofferen om de overwinning in de wacht te slepen!
Ook en juist de soldatenvrouwen zullen dat begrijpen. Zij zullen het voor hun hoogste plicht houden hun mannen buiten aan het front terzijde te treden door zich voor een voor de oorlog belangrijk werk ter beschikking te stellen. Dat betreft vooral het landbouwbedrijf. De vrouwen van landarbeiders dienen in deze een goed voorbeeld te geven. Voor alle mannen en vrouwen geldt het principe dat het niemand past om in oorlogstijd zelfs nog minder te doen dan in vredestijd. Het werk moet worden vermeerderd, en niet verminderd. Men mag immers niet de fout maken alles wat nu nodig is op de regering af te schuiven. De regering kan alleen de grote kaderwetten scheppen. Aan de kaderwetten leven en inhoud te geven, dat is de taak van het werkende volk, en dient onder de bezielende leiding van de partij te gebeuren. Snel handelen is hier een eerste vereiste. Boven de wettelijke verplichting uit dus geldt nu het parool: vrijwilligers eerst!
Hier doe ik vooral als Berlijns gouwleider een beroep op mijn Berlijnse stadsgenotes. Zij hebben in het verloop van deze oorlog al zo veel nobele voorbeelden gegeven van een dappere levensovertuiging dat zij zich beslist ook tegenover deze uitdaging niet willen laten beschamen. Zij hebben zowel door hun praktische levenswijze als door frisheid van hun levensopvatting ook in de oorlog over de hele wereld een goede naam verworven. Deze naam dient nu door een genereuze handelswijze te worden behouden en versterkt. Als ik mijn Berlijnse stadsgenotes dus oproep om zich snel, prompt en zonder veel tegenwerpingen voor een voor de oorlog belangrijk werk ter beschikking te stellen, dan weet ik dat ze allemaal aan dit appèl gevolg zullen geven. Wij willen nu niet meer over de zwaarte van de tijd klagen of elkaar maar wat wijsmaken. Wij willen, zoals dat niet alleen Berlijnse, maar Duitse stijl is, de handen uit de mouwen steken, handelen, initiatieven nemen, zelf iets doen en niet alles aan de anderen overlaten. Welke Duitse vrouw zou het over haar hart kunnen krijgen zich te onttrekken aan een dergelijke oproep die ik vooral voor het strijdende front tot de Duitse vrouwenwereld richt! Wie zou er nu een kleinburgerlijke gemakzucht stellen boven het nationale gebod zijn plicht te vervullen! Wie zou er nu nog, oog in oog met de zware bedreiging waaraan wij allen blootstaan, aan zijn egoïstische privé-behoeften denken en niet aan de dit alles overkoepelende noodzakelijkheden van de oorlog!
Ik wijs met minachting het verwijt van de hand dat onze vijanden ons maken, als zou dit een nabootsing van het bolsjewisme zijn. Wij willen het bolsjewisme niet nabootsen – nu evenmin als in de tijd van onze strijd -, wij willen het overwinnen. De Duitse vrouw zal dat als eerste begrijpen, want zij heeft allang ingezien dat de oorlog, vandaag door onze mannen gevoerd, vooral een oorlog is ter bescherming van haar kinderen. Haar heiligst bezit wordt in deze oorlog dus beveiligd door de inzet van het meest kostbare bloed van ons volk. Met deze strijd van de mannen moet de Duitse vrouw ook naar buiten toe spontaan haar solidariteit betonen. Zij moet zich liever morgen dan overmorgen scharen in de gelederen van de miljoenen werkende loonslaven en arbeidsters en het leger van het werkende vaderland ook vermeerderen met haar eigen persoon. Het moet als een golfstroom van bereidwilligheid door het Duitse volk gaan. Ik verwacht dus dat ontelbare vrouwen en vooral ook mannen die tot dusver nog geen werk doen in het belang van de oorlog, zich bij de meldstations melden. Wie zich snel geeft, geeft zich twee keer!
Daarnaast voltrekt zich in onze algemene economie een aantal grootscheepse fusies die immers al door de pers zijn toegelicht. Ik weet dat grote delen van ons volk daarbij zware offers moeten brengen. Wij hebben begrip voor die offers, en de bewindslieden trachten ze dan ook tot een minimum te beperken. Maar er zal helaas een zekere rest overblijven die gedragen moet worden. Na de oorlog zullen wij dat wat we tegenwoordig afbreken groter en mooier dan ooit weer opbouwen. De staat zal daarbij de helpende hand bieden. Ik verzet mij met klem tegen de bewering dat met onze maatregelen bijvoorbeeld werd beoogd de middenstand lam te leggen of onze economie te monopoliseren. Na de oorlog wordt de middenstand onmiddellijk weer op de grootste schaal in ere hersteld, zowel economisch als maatschappelijk. De tegenwoordige maatregelen zijn uitsluitend noodmaatregelen voor oorlogsdoeleinden en oorlogsbehoeften. Zij streven geen structurele verandering van de economie na, maar zijn alleen afgestemd op het doel van de totale oorlog.



Ik ontken niet dat ons met betrekking tot de uitvoering van de zojuist beschreven maatregelen nog zorgelijke weken te wachten zullen staan. Maar daarmee scheppen wij nu voorgoed lucht. Wij stellen deze maatregelen in op de acties van de komende zomer en begeven ons vandaag, zonder enige aandacht te schenken aan de dreigementen en de grootspraak van de vijand, aan het werk. Ik ben gelukkig dit programma van de overwinning te mogen voorleggen aan een volk dat deze maatregelen niet alleen gewillig op zich neemt, maar ze afsmeekt, en wel dringender dan dit in het verloop van deze oorlog ooit het geval is geweest. Het volk wil dat er doortastend en snel gehandeld wordt. Wij moeten het ogenblik en het uur benutten om ons te vrijwaren voor komende verrassingen.
Wij hebben ons de afgelopen jaren dikwijls in onze kranten en toespraken beroepen op het voorbeeld van Frederik de Grote. Wij hadden daar eigenlijk het recht niet toe. Frederik II stond in de derde Silezische oorlog tijdelijk met vijf miljoen Pruisen, zoals Schlieffen heeft uitgerekend, tegenover negenig miljoen vijanden. En reeds in het tweede van die zeven helse jaren leed hij een nederlaag die de hele Pruisische staat deed wankelen. Hij had nooit genoeg soldaten en nooit genoeg wapens om zijn veldslagen zonder het grootste risico te leveren. Hij bedreef zijn strategie altijd als een systeem van improvisatie, maar hij ging daarbij te werk volgens het principe dat hij de vijand aanviel waar zich daartoe maar een gelegenheid voordeed en hem versloeg waar deze zich tegen hem te weer stelde. Dat hij nederlagen leed, dat is niet van beslissende betekenis. Van beslissende betekenis is veeleer dat de grote koning bij alle slagen van het lot ongebroken bleef, dat hij onwankelbaar het wisselende krijgsgeluk op zich nam en zijn stalen hart ieder gevaar overwon! Aan het einde van die zeven jaar stond hij, weliswaar pas eenenvijftig jaar oud, maar toch al de oude Fritz, een tandeloze, jichtige en door duizend pijnen gekwelde grijsaard, toch als overwinnaar op het verwoeste slagveld. Waar halen wij vooralsnog het recht vandaan ons op hem te beroepen? Wij willen toch hoogstens alleen de wil en de besluitvaardigheid opbrengen om hem, als het uur dat ooit mocht gebieden, te evenaren. Ook wij willen onwankelbaar blijven bij alle spelingen van het lot en willen net als hij onder de ongunstige omstandigheden de grote overwinning proberen af te dwingen en nooit wanhopen aan de grote zaak die wij verdedigen.
Ik geef uitdrukking aan mijn diepe overtuiging dat het Duitse volk door de zware lotsbeproeving van Stalingrad innerlijk diep gelouterd is. Het heeft de oorlog in zijn harde en meedogenloze gelaat gekeken, het kent nu de gruwelijke waarheid en is vastbesloten met de Führer door dik en dun te gaan [bravogeroep, applaus; geroep:”Führer befiehl, wir folgen!”; “Heil unserem Führer!”]. Aan onze zijde staan trouwen en betrouwbare bondgenoten. Het Italiaanse volk zal met ons onder leiding van zijn grote Duce onverdroten de weg naar de overwinning voortzetten! De fascistische leer heeft het rijp gemaakt voor alle grote lotsbeproevingen! In Oost-Azië dient het dappere Japanse volk de Angelsaksische krijgsmacht de ene slag na de andere toe. Drie grote wereldmachten voeren samen met hun bondgenoten de strijd tegen de plutocratische tirannie. Wat kan ons gebeuren als wij ons vastbesloten aan de harde beproevingen van deze oorlog onderwerpen! Over de zekerheid van de overwinning bestaat geen twijfel! […]
Dezer dagen heeft de Engelse en de Amerikaanse pers zich heel uitvoerig beziggehouden met de houding van het Duitse volk in de huidige crisis. De Engelsen kennen het Duitse volk naar hun grootsprakerige verhalen te oordelen zoals bekend veel beter dan wij, hun bewindvoerders. Zij geven ons schijnheilig adviezen over wat we moeten doen en wat we moeten laten, voortdurend in de verkeerde veronderstelling dat het Duitse volk van nu lijkt op het Duitse volk van november 1918. dit volk is in 1918 gezwicht voor de Engelse verleidingskunsten. Ik acht het niet nodig om voor vandaag het tegenbewijs te leveren; het tegenbewijs wordt door het volk van vandaag iedere dag opnieuw geleverd. Ik zou echter om de hulde te doen aan de waarheid tot jullie; mijn Duitse broeders en zusters, een aantal vragen willen richten die jullie naar mijn beste weten en geweten moeten beantwoorden. Toen mijn toehoorders als reactie op mijn eisen van 30 januari me spontaan hun instemming betuigden, beweerde de Engels-Amerikaanse – dat wil zeggen de joodse – pers de volgende dag dat het een propagandastunt was geweest en op geen enkele wijze overeenkwam met de ware stemming van het volk, die de joden beter kennen dan wij! [verontwaardiging, boegeroep]
Ik heb nu vandaag voor deze bijeenkomst een selectie van het Duitse volk in de beste betekenis van het woord uitgenodigd. Voor mij zitten in rijen Duitse gewonden van het Oostfront met geamputeerde armen en benen, met stukgeschoten ledematen, oorlogsblinden die met hun Rode Kruiszusters zijn gekomen, mannen in de bloei van hun leven die voor zich hun krukken hebben staan. Daartussen tel ik vijftig dragers van het Eikeloof- en Ridderkruis: een schitterende afvaardiging van ons strijdend front! Achter hen verheft zich een blok van arbeiders in de wapenindustrie uit de Berlijnse tankfabrieken. Weer achter hen zitten mannen uit de partijorganisatie, soldaten uit het strijdende leger, artsen, wetenschappers, kunstenaars, ingenieurs en architecten, leraren, ambtenaren en personeelsleden uit de burelen en kantoren: een trotse vertegenwoordiging van ons intellectuele leven in al zijn geledingen, waarvan het Rijk juist nu in de oorlogstijd wonderen van vindingrijkheid en van menselijke vernuft te danken heeft. Over de hele cirkel van het Sportpaleis verdeeld zie ik duizenden Duitse vrouwen. De jeugd is hier vertegenwoordigd en de hoge ouderdom. Geen klasse, geen beroep en geen levensjaar bleef bij de uitnodiging buiten beschouwing. Ik kan dus met recht en rede zeggen: wat hier voor mij zit, is een selectie uit het hele Duitse volk aan het front en in het vaderland, - is dat waar? Ja of neen? [Stormachtige instemming: “Ja!”]
Dus jullie, mijn toehoorders, representeren op dit ogenblik voor het buitenland onze natie! En tot jullie zou ik graag tien vragen willen richten die jullie met het Duitse volk voor de hele wereld, in het bijzonder echter voor onze vijanden die op ook op dit uur via hun radio naar ons luisteren, moeten beantwoorden! Willen jullie dat? [Stormachtige instemming: “Ja!”] De Engelsen beweren dat het Duitse volk het geloof in de overwinning heeft verloren. Ik vraag jullie: geloven jullie met de Führer en met ons in de definitieve, totale overwinning van het Duitse volk? [Stormachtige geroep: “Ja!”; “Sieg Heil! Sieg Heil!”] Ik vraag jullie: zijn jullie vastbesloten om de Führer bij het bevechten van de overwinning door dik en dun en onder aanvaarding van de zwaarste persoonlijke lasten te volgen? [Stormachtige geroep “Ja!” ; “Sieg Heil!; “Wij groeten onze Führer!”]
Ten tweede: de Engelsen beweren dat het Duitse volk de strijd moe is. Ik vraag jullie: zijn jullie bereid om met de Führer als falanx van het vaderland achter het strijdende leger staand, deze strijd met woeste vastbeslotenheid en niet van slag door de alle lotsbeschikkingen voort te zetten totdat de overwinning in onze handen is. [Stormachtige geroep “Ja!”, krachtig applaus]
Ten derde: de Engelsen beweren dat het Duitse volk er geen zin meer in heeft om zich te onderwerpen aan het hand over hand toenemende oorlogswerk dat de regering van hen vraagt. Ik vraag jullie: soldaten, arbeiders en arbeidsters, zijn jullie en is het Duitse volk vastbesloten om, als de Führer het in de tijd van nood ooit mocht bevelen, tien, twaalf, zo nodig veertien en zestien uur per dag te werken en alles voor de overwinning te geven? [Stormachtige geroep “Ja!”, krachtig applaus]
Ten vierde: de Engelsen beweren dat het Duitse volk zich verzet tegen de totale oorlogsmaatregelen van de regering. Het wil niet de totale oorlog, zeggen de Engelsen, maar de capitulatie! [Stormachtig geroep: “Nee!”] Ik vraag jullie: willen jullie de totale oorlog? Willen jullie hem, desnoods totaler en radicaler dan wij hem ons vandaag maar kunnen voorstellen!? [Stormachtige geroep “Ja!”; “Wij willen hem!”, krachtig applaus]
Ten vijfde: de Engelsen beweren dat het Duitse volk zijn vertrouwen in de Führer heeft verloren! Ik vraag jullie: vertrouwen jullie de Führer? Is jullie bereidheid om hem op al zijn wegen te volgen en alles te doen wat nodig is om de oorlog tot een zegenrijk einde te brengen, absoluut en onbegrensd! [Stormachtige geroep “Ja!”; ”Führer befiehl, wir folgen!”, krachtig applaus]
Ik vraag jullie nu in de zesde plaats: zijn jullie van nu af aan bereid jullie hele kracht in te zetten en het Oostfront, onze strijdende vaders en broeders, de mensen en wapens ter beschikking te stellen die ze nodig hebben om het bolsjewisme te overwinnen? Zijn jullie daartoe bereid? [Stormachtige geroep “Ja!”, krachtig applaus]
Ik vraag jullie in de zevende plaats: beloven jullie het front met een heilige eed dat het vaderland met een sterke, onwankelbare moraal achter het front te staan en dit alles te geven wat het voor de overwinning nodig heeft? [Geroep “Ja!”, krachtig applaus]
Ik vraag jullie in de achtste plaats: willen jullie, in het bijzonder de vrouwen zelf, dat de regering ervoor zorgt dat ook van de vrouw de laatste werkkracht aan de oorlogsleiding ter beschikking gesteld wordt en dat van de vrouw overal waar het maar mogelijk is, inspringt om mannen vrij te maken voor het front? Willen jullie dat? [Stormachtige geroep, vooral van vrouwelijke stemmen “Ja!”, krachtig applaus]
Ik vraag jullie in de negende plaats: keuren jullie, zonodig, de meest radicale maatregelen goed tegen een kleine kring van lijntrekkers en zwendelaars die midden de oorlog vrede willen spelen en de ellende van het volk voor zelfzuchtige doeleinden misbruiken? Zijn jullie het ermee eens dat wie zich aan de oorlog vergrijpt zijn hoofd verliest? [Stormachtige geroep “Ja!”, krachtig applaus]
En nu vraag ik jullie in de tiende en laatste plaats: willen jullie dat, zoals het nationaal-socialistische partijprogramma dat voorschrijft, juist in oorlogstijd gelijke rechten en plichten overheersen, dat het vaderland de zwaarste lasten van de oorlog solidair op zijn schouders neemt en dat ze over hoog en laag en arm en rijk gelijkelijk worden verdeeld? Willen jullie dat? [Stormachtige geroep “Ja!”, krachtig applaus]
Ik heb jullie vragen gesteld, en jullie hebben me je antwoord niet onthouden. Jullie zijn één deel van het volk. Door jullie mond heeft zich het standpunt van het hele volk aan de wereld gemanifesteerd. Jullie hebben onze vijanden datgene toegeroepen wat ze moeten weten om te voorkomen dat ze zich overgeven aan illusies en verkeerde voorstellingen. Zodoende zijn wij, zoals vanaf het eerste uur van onze macht door die volle tien jaar heen, hecht en broederlijk met het Duitse volk verenigd! De machtigste bondgenoot die er op deze wereld bestaat, het volk zelf, staat achter ons en is vastbesloten om met de Führer – wat het ook moge kosten, en onder aanvaarding van zelfs de zwaarste offers – de overwinning strijdend te bevechten.
Ik sta hier voor u niet alleen als spreekbuis van de regering, maar ook als spreekbuis van het volk. Om mij heen zitten mijn oude vrienden uit de partij die hoge posten bekleden in de leiding van volk en staat. Naast mij zit partijgenoot Speer, die van de Führer, de historische opdracht gekregen heeft om de Duitse bewapeningseconomie te mobiliseren en het front in overvloed wapens te leveren. Naast mij zit partijgenoot Ley die van de Führer de opdracht gekregen heeft over de Duitse arbeiders ter hand te nemen en hen met een onvermoeibare inzet te scholen en op te leiden voor hun oorlogsplichten. Wij voelen ons verbonden met onze partijgenoot Sauckel die van de Führer de opdracht gekregen heeft om ontelbare honderdduizenden arbeidskrachten naar het Rijk te brengen. Daarenboven echter zijn alle leiders van de partij, het leger en de staat met ons verenigd. Wij allen, kinderen van ons volk, met het volk aaneengelast in het grootste rampuur uit onze vaderlandse geschiedenis, wij beloven jullie, wij beloven het front en wij beloven de Führer plechtig dat wij het vaderland zullen aaneenlassen tot een wilsblok, waarop de Führer en zijn strijdende soldaten zich onvoorwaardelijk en blindelings kunnen verlaten! Wij verplichten ons ertoe in ons leven en ons werken alles te doen wat voor de overwinning nodig is. Onze harten zullen wij vervullen van die politieke hartstocht die ons in tijden van grote strijd van de partij en van het land altijd als een eeuwig brandend vuur heeft verteerd! Nooit zullen we in deze oorlog ten prooi vallen aan die valse en schijnheilige objectiviteitsdwaasheid die het Duitse volk in zijn geschiedenis al zoveel ongeluk heeft gebracht!
Toen deze oorlog begon, hebben wij onze ogen enkel en alleen op het volk gericht. Wat dit en zijn levensstrijd dient, dat is goed en moet in stand gehouden en bevorderd worden. Wat dit en zijn levensstrijd schaadt, dat is slecht en moet uit weg geruimd en afgekapt worden. Met een warm hart en een koel hoofd zullen wij de oplossing van de grote problemen van deze oorlogsperiode ter hand nemen. Wij bewandelen daarmee de weg naar de definitieve overwinning. Deze ligt besloten in het geloof in de Führer. Hij verwacht van ons een prestatie die alles wat er tot dusver geweest is in de schaduw stelt! Wij zullen hem niet weigeren wat hij van ons vraagt; zoals wij trots zijn op hem, zo moet hij trots op ons kunnen zijn. Tijdens de grote crises en debacles van het nationale leven bewijzen zich pas de ware mannen, maar ook de ware vrouwen. Dan heeft men niet meer het recht te spreken van het zwakke geslacht, dan bewijzen beide geslachten dezelfde ongebreidelde strijdvaardigheid en zielskracht. Het volk is daartoe bereid. De Führer heeft bevolen en wij zullen hem volgen! Als wij ooit trouw en onverbrekelijk in de overwinning hebben geloofd, dan wel in dit uur van nationale bezinning en innerlijke herstel. Wij zien de overwinning tastbaar dichtbij voor ons liggen, wij moeten alleen toegrijpen. Wij moeten alleen de besluitvaardigheid opbrengen alles ondergeschikt te maken aan haar dienst; dat is het gebod van dit ogenblik! En daarom luidt vanaf nu het parool: Welnu volk, stap op – en storm, breek los! [stormachtig heil-geroep en applaus, geroep: “Onze gouwleider, Sieg Heil! Sieg Heil! Sieg Heil!”; het “Deutschland, Deutschland über alles” wordt ingezet]

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen